kansen van een beginnend popjournalist

Sinds enkele jaren heb ik de droom popjournalist te worden. Niet één ervaringsdeskundige kon me een positief vooruitzicht geven. Daarom ben ik op onderzoek uit gegaan om uit te vinden waar mijn kansen liggen als ik het toch zou proberen. ‘Oudere redacteuren gaan op een gegeven moment ook met pensioen.’

Ik wilde popjournalist worden. Voor mij was dat een logische stap. Het is de zomer van 2016 en ik zit op een terras in Tilburg, met de hoofdredacteur van 3voor12 Tilburg, Bas van Duren. Mijn hobbys bestaan uit platen verzamelen tot mijn kast bijna bezwijkt, gitaar spelen, muzieknieuws volgen en concerten bezoeken. Als ik het geld ervoor zou hebben zou ik iedere week wel bij een podium staan. Ik zoek ook het liefste alles uit over mijn favoriete artiesten, tot making-offs van obscure jaren 70-albums aan toe. Het beroep van popjournalist lijkt een logisch stap voor mij. Bij 3voor12 lokaal zou ik goed kunnen kunnen beginnen aan zo’n carrière. Ik krijg er geen cent, maar daar gaat het niet om. De lokale afdeling van het landelijke muziekplatform van de VPRO is de ideale plek voor ervaring en ontwikkeling van eventueel talent. Wie weet wat voor moois me daarna te wachten staat…

Vandaar het terras met daarop Bas van Duren en ik. We maken kennis. Ik vraag hem voorzichtig: stel ik wil aan de slag als popjournalist, hoeveel kans maak ik dan eigenlijk?’ Ik weet nog goed wat hij antwoordde: ‘Er is geen droog brood in te verdienen’ en ‘We kunnen niet allemaal Atze de Vrieze zijn’. 

Toch ben ik het gaan doen. Maandelijks hield ik mezelf eraan een stukje te schrijven voor de site. Dat kon een concertrecensie zijn, een nieuwsbericht of een lang interview. Ik heb er een aardig portfolio mee opgebouwd. Toch raakte ook ik mijn geloof in een stap naar het beroepsveld kwijt. Ten eerste omdat mijn beeld na mijn sollicitatie bij 3voor12 Tilburg zo negatief was bijgesteld, maar ook omdat ik niet genoeg kansen zag en me op die manier moeilijk kon optrekken aan een haalbaar doel.

Ik begon minder vaak te schrijven voor 3voor12 en legde mij meer toe op andere journalistiek. Zelfs als ik alleen maar stage wilde lopen bij een muziekblad was er geen plek – iemand was me altijd voor. Een studievriend werkte bovendien keihard voor muziekkrant Oor, maar krijgt nog steeds maar heel soms betaald, terwijl hij meer ervaring heeft dan ik en alles goed doet. Ook Bas van Duren kan uit eigen hand vertellen hoe hij niet fulltime popjournalist is geworden, ook al kent hij iedereen in het wereldje. Hij verdient zijn inkomen als copywriter, verslaggever en dj.

Het is natuurlijk ook lastig om een Atze de Vrieze te worden. Toen NRC-journalist Kasper Jansen tien jaar geleden aankondigde na 30 jaar te stoppen als klassieke muziekrecensent, zette hij haarfijn een recensentenprofiel uiteen:

‘Zowel de rol van de professionele kunstminnaar die lof en waardering uitdeelt, als van de kunstpolitie die zich bezighoudt met voortdurende kwaliteitscontrole, legt uitzonderlijke verplichtingen op. De krantenlezer wil goed en degelijk worden geïnformeerd. Kennis, ervaring, een gefundeerd en genuanceerd oordeel, bovendien consistent en consciëntieus, zijn daarvoor vereist. Ik mag hopen dat ik daarin meestentijds ben geslaagd.’

Ik moet me dus continu onderscheiden van de enthousiaste amateur en 24/7 met (een deel van) mijn gedachten met het vak bezig zijn Ik moet actuele kennis en inzichten blijven vergaren om creatieve journalistieke ideeën de kans te geven te ontkiemen. Maar dat geeft nog geen enkele garantie voor een baan als popjournalist.

Onmisbaar

Het werkdomein van de popjournalist is namelijk niet uitnodigend. Net als bij andere traditionele journalistiek is er minder budget dan vroeger. Grote titels worstelen met de uitdaging om in een wereld waar zo veel informatie gratis is, hun lezer toch te laten betalen voor (geschreven) journalistieke content. UvA-alumnus Milou Bats, die een onderzoek deed in 2013 en 2014, schreef dat lezers steeds minder bereid zijn te betalen voor popjournalistiek, omdat al zo veel informatie gratis online te vinden is.

‘Popjournalistiek is een uitstervend beroep’, stelt recensent bij Oor, muziekproducer en schrijver Jan van der Plas. ‘Ik schrijf nog steeds stukjes voor Oor, maar dat is niet rendabel, ook niet voor mij. Het werk valt nog net niet in de categorie van hobbyist.’

‘De journalistiek op zich is al een moeilijk landschap. Kunst- en muziekjournalistiek is een nog moeilijker onderdeel daarvan,’ vindt Erwin Blom, als voormalig hoofdDigitaal van de VPRO medeoprichter van 3voor12, nu ondernemer. ‘Ik ben ook opgeleid tot journalist. We hebben gekozen voor een nice-to-have-beroep: we zijn niet onmisbaar, zoals bijvoorbeeld een loodgieter dat wel is. Er zijn natuurlijk takken van journalistiek die het goed doen, maar dat is omdat mensen zich hebben gerealiseerd dat goede journalistiek moet blijven bestaan, om de macht tegenwicht te bieden. Wanneer het slecht gaat met de wereld, gaat het goed met die journalistieke titels.’ ‘We zijn niet economisch relevant’, voegt Van der Plas toe.

Van de grote namen in de popjournalistiek is weinig over ten opzichte van de hoogtijdagen, van de jaren 70 en -80 van de 20ste eeuw, toen een muziekblad een lijfblad kon zijn voor heel veel mensen, zoals journalistiek-alumnus Rick van Veluw beschrijft in zijn scriptie over Oor, in 2013. De enige grote Nederlandse ‘publiekstijdschriften’ (geen vak- hobby- of nichemuziekbladen) zijn Oor en Lust for Life. Die hebben een oplage van respectievelijk 21.000 en 26.500. Andere bladen leggen zich meer toe op niches. Zo is Gonzo (circus) een blad voor Nederlandse en Vlaamse alternatieve cultuurliefhebbers, richt Heaven zich meer op jazz en wereldmuziek, is Music Maker het ‘lijfblad voor muzikanten’ en Soundz het blad voor ‘de échte muziekliefhebber.’ Zo zijn er meer nichebladen en lang niet alle bladen komen maandelijks uit. Oor en Lust for Life zijn wel nog steeds maandbladen.

Made with Visme Infographic Maker

Oor had in zijn vierde bestaansjaar (1974) een al een veel grotere oplage van 40.000, waarvan in 2010 nog maar 15.271 over zou zijn geweest (Bats, 2014). Dat is nu dus 21.000, aldus marketing & saleschef Hans Christenhuis in een mailwisseling. Daarbij komt wel een aanzienlijk aantal online bezoekers van tussen de 100.000 en 150.000 per maand, aldus Christenhuis, ondanks de recent opgeworpen betaalmuur. Oor verstrekt dan ook naast het blad nog digital only abonnementen.

Lust for Life heeft een oplage van 26.000. Online vangt het blad volgens redacteur Dominique van der Geld 30.000 tot 40.000 bezoekers per maand.

Made with Visme Infographic Maker

Nu gaat het überhaupt slechter dan ooit met papieren magazines. Zo schrijft Piet Bakker over tijdschriften die worden gemonitord door NOM dat ‘de laatste zeven jaar een gemiddeld verlies van 7 procent wordt genoteerd. Sinds 2000 is bij deze segmenten de oplage gehalveerd.’ (Muziekbladen zijn helaas niet aangesloten bij NOM, die oplagecijfers checkt en publiceert.)

(Betaalde printoplage (x 1000) van acht segmenten tijdschriften, 2000 – 2017. Bron: NOM Printmonitor en HOI-online via SvdJ.nl)

NRC en De Volkskrant schrijven nog wekelijks pagina’s vol met recensies, interviews en reportages. Helaas is er nauwelijks plek voor vaste aanstelling van nieuw popjournalistiek talent. Na zelf een succesvolle stage bij cultuurkatern V te hebben afgerond was er ook voor mij geen plek op de redactie, hoewel ik altijd ideeën voor artikelen kan aanbieden. Wie de credits erop natrekt ziet ook steeds dezelfde namen langskomen op de muziekredactie: Robert van Gijsel, Gijsbert Kamer en Menno Pot waarvan de eerste twee het meest publiceren. De Persgroep, uitgever van De Volkskrant, versobert ook nog eens jaar na jaar de arbeidspositie van journalisten, niet perse bij de cultuurredactie, maar redactiebreed. Wie wordt bijvoorbeeld nog vast aangenomen en krijgen journalisten wel een redelijke vergoeding? Volgens Volkskrant-columnist Sheila Sitalsing valt dat vies tegen.

Boot gemist

Online werken eigenlijk nog de meeste ‘popjournalisten’. Het internet is het terrein van gratis blogs geweest (Bads, 2014) en gevestigde titels hebben daar ‘de boot gemist’, is Jan van der Plas het met me eens. De cijfers laten zien dat ook betaalde bladen wel online worden bekeken, maar blogs als Never Mind The Hype (voor heavy muziek), Festileaks (festivalnieuws), Metalfan (voor nog zwaardere heavy muziek) en The Daily Indie (indiemuziek) bieden gratis uitgebreide artikelen en zijn dikwijls hypergespecialiseerd in bepaalde muziekstromingen.

Wanneer ik navraag doe bij The Daily Indie, vertelt oprichter en hoofdredacteur Ricardo Jupijn me dat zijn blog op maar één betaalde kracht draait en dat is hijzelf. Het overgrote deel van de artikelen en video’s komt van meer dan vijftig vrijwilligers. The Daily Indie heeft in bijna negen jaar wel een trouw aantal bezoekers van 20.000 vergaard en zou best goed kunnen staan op mijn cv, maar dan nog is ook die site een voorstation voor betaald werk.

Jupijn zegt wel te waken voor amateurisme, ook al is het lastig feedback te blijven geven bij zo’n grote groep. ‘Wij werken met mensen die het lokale niveau zijn overstegen, maar nog niet professioneel werken. Sommige mensen werken wel als professional, maar willen daarnaast ook kunnen schrijven over wat ze echt interesseert en kunnen dan bij ons terecht.’

Patrick Lamberts, freelance schrijver voor onder andere Musicmaker, Aardschok, Gitarist en Lust For Life kijkt regelmatig op de blogs van fanatieke metalfans, uit interesse en om interviews te lezen of te kijken hoe bepaalde platen zijn besproken. ‘De kwaliteit verschilt wel per blog en zelfs per schrijver. Dat geldt niet alleen voor metalblogs, maar voor blogs en magazines in het algemeen. Sommige metalblogs specialiseren zich en doen dat hartstikke goed. Ik zie dit soort sites echter niet per se als een bedreiging, eerder als een aanvulling, want Aardschok krijgt als sterk merk en gevestigde naam bijvoorbeeld vooralsnog eerder de echt grote namen aangeboden om interviews mee te doen. Uiteindelijk is de lezer de winnaar, want die kan kiezen. Ik merk wel dat er veel doorstroom is bij bloggers. Die stoppen op een gegeven moment, waarschijnlijk omdat ze er niets mee verdienen en ze hun tijd liever aan andere zaken besteden. Soms moeten blogs zelfs helemaal de stekker eruit trekken, omdat de inspanning niet meer opweegt tegen de positieve factoren.’

Een voorbeeld van een blog dat het niet heeft gered is het Britse Drowned In Sound, dat dit jaar financieel over de kop ging. DiS bestaat al sinds 2000.

De redactie beloofde begin april een meer uitgebreid statement te publiceren, maar heeft dat nog niet gedaan. Erik Blom ziet het als nog een voorbeeld  van de moeite die muziekmedia hebben om genoeg vrijwillige bijdrages te generen en voldoende te verdienen met advertenties.

 ‘Met advertenties verdien je alleen wanneer je iets maakt om de massa te bereiken’, verklaart Erwin Blom. ‘Bij een kleine blog levert het niets op en daar frustreer je je massa eigenlijk alleen maar mee. Advertenties zijn verdomd lastig.’

Lamberts ziet dat specialisme toch ook aantrekkelijk kan zijn voor adverteerders. Het kan dus ook anders uitpakken. ‘Magazines als Musicmaker, Gitarist en Slagwerkkrant trekken wel adverteerders, vanwege hun specialistische inhoud’, aldus de insider. ‘Ze plaatsen instrumenttesten en nieuws over gear (instrumenten en ander materiaal waar muzikanten mee werken, red.) en dat is interessant voor adverteerders. Ook Aardschok, Lust For Life en Oor moeten het grotendeels van advertenties hebben en zelfs sommige blogs krijgen (een deel van hun) inkomsten uit ads en banners.’

Opgedroogd

De arbeidsmarkt is voor popjournalisten duidelijk niet de fabriekshal van Willy Wonka, waar banen als lolly’s aan de bomen hangen en je kunt zwemmen in een chocoladerivier van vergoedingen, laat staan erin kunt verzuipen. Die rivier lijkt eerder te zijn opgedroogd. Consumenten hebben bovendien hun een openbare chocoladefabriek gevonden: die van vrije informatiegaring. Grote merken zijn het monopolie op informatie kwijt en zijn daar te laat achter zijn gekomen.

Jan van der Plas (freelancer) ziet de allergrootste verandering terug in de muziekindustrie. ‘Platenmaatschappijen investeerden flink in artiesten en verdienden veel aan albumverkoop. Nu verdienen de maatschappijen een fractie van wat ze in de jaren ‘90 hadden aan inkomsten. Waar een popjournalist op kosten van een platenmaatschappij kon overkomen voor een interview, zet de artiest zelf alles wel op Instagram.’

Illustratie door: Mathijs van Eeten

Is de popjournalist overbodig geworden? Op het moment heeft de journalistiek in ieder geval nog geen zeker antwoord op gratis concurrentie. Musicmaker is begonnen met video’s op YouTube, die ze relatief goedkoop kunnen produceren in cultuurbroedplaats Q-Factory. Hun video’s, onder de noemer Aquarium Sessions, bevatten concerten en interviews. Mogelijk geeft het ze nog meer naamsbekendheid voor het betaalde blad bij een nieuwe groep mensen. Oor biedt ‘clubleden’ al lange tijd extra’s aan, zoals gratis concerten, en is nu ook volledig achter een betaalmuur verdwenen. ‘Ik vraag me in dat opzicht af of het een goede keuze is geweest’, stelt Dominique van der Geld, redacteur bij Lust for Life. ‘De tijd moet het uitwijzen.’

Fulltime

Wanneer ik een rondje maak langs popjournalisten, bevestigen die dat fulltime functies dan ook zelden tot nooit meer worden aangeboden op hun redacties. Patrick Lamberts (o.a. Musicmaker en Aardschok) zegt zelf fulltime met het vak bezig te zijn, maar dus niet voor één vaste titel. Musicmaker, een van zijn belangrijkste opdrachtgevers, neemt voorlopig ook geen vaste redacteuren meer aan. Het basisteam van Musicmaker bestaat op dit moment uit hoofdredacteur André Dodde en freelancers Patrick Lamberts, Tommy Ebben en Chris Dekker. Daarnaast wordt er met een team aanvullende freelancers gewerkt (zowel fotografen als schrijvers met specifieke kennis van bijvoorbeeld muziekinstrumenten).

Dominique van der Geld (Lust For Life) werkt ook fulltime, maar geeft toe dat hij een van de weinigen is en er geen plek is voor meer redactiekrachten die dat ook wel zouden willen. ‘We zijn een klein team, met veel freelancers. Er werken maar zes mensen op de redactie, op de drukste dag. Fulltime werk vinden is heel erg lastig in de popjournalistiek. Patrick Lamberts en ik zijn zo’n beetje de enigen van onze leeftijd (onder de 40 jaar, red.) die dat nog kunnen doen.’

Oor, dat wegens een vol werkschema niet bereikbaar was voor commentaar, werkt weliswaar met een groot team aan verslaggevers en recensenten, maar wie het tijdschrift doorbladert, ziet meestal vaste krachten Tim Veerwater en Koen Poolman als auteur bij de grotere producties vermeld staan.

Erwin Blom vat de doorstroom treffend samen: ‘Ik ben 58 en heb lange tijd in de muziek gezeten. De mensen die er zaten toen ik begon, werken er nu nog steeds. Ze zijn allemaal ongeveer even oud als ik en blijven kennelijk zitten tot ze weg moeten en niet eerder. Op krantenredacties en bij bladen als Oor komt niet eerder plek vrij.’

Qua volume is 3voor12 de grootste speler op de popjournalistieke markt. De redactie van 3voor12 landelijk draait op 15 á 17 redacteuren, die werken voor televisie, radio en internet. De bezoekersaantallen op de site zijn ‘alleen voor intern gebruik’, zegt Niels Aalberts, maar ‘stabiel’. Bovendien is ‘impact’ volgens hem belangrijker, wat doet vermoeden dat de lezersaantallen niet zo hoog zijn, maar de naamsbekendheid en merkwaarde het goed doen. Aalberts en zijn collega’s verraste me begin van deze lente positief door een vacature te publiceren, voor junior internetredacteur, 36 uur in de week. Ik heb meteen gereageerd.

3voor12 heeft een uitzonderingspositie ten opzichte van andere muziekmedia, omdat het, als onderdeel van de VPRO, draait op publiek geld. ‘In zekere zin is dat marktvervalsing’, vindt Jan van der Plas. 

Zelf schrijft eindredacteur Niels Aalberts per mail het volgende: ‘Budgetten staan voor de NPO, en dus ook voor 3voor12, altijd onder druk, maar de afgelopen jaren hebben we de landelijke redactie, onze output, de hoeveelheid content, het aantal redactieleden en onze verslaggeving op peil weten te houden. (…) Doordat we altijd afhankelijk zijn van het beleid in Den Haag is het heel lastig om mensen vaste contracten te bieden. Bij nieuwe verkiezingen kan het in 4 jaar namelijk allemaal weer anders worden.’

Ik zou dit essay natuurlijk hier al kunnen afronden als ik zou zijn aangenomen door 3voor12. Mijn evaluatie zou zijn: ik kan me onderscheiden met drie jaar parttime journalistieke ervaring in een lokale scene, een aardige dosis taalvaardigheid en de juiste vierdejaars stage, waarin ik twee handen vol mooie artikelen heb kunnen toevoegen aan mijn portfolio. Ik besteedde natuurlijk ook aandacht aan mijn cv en motivatiebrief, waarin ik origineel en sterk hoopte over te komen.

Maar iemand anders bleek geschikter te zijn. Aalberts in een andere mail: ‘We vonden het een goed gesprek (het gemiddelde niveau was sowieso hoog) en we wensen je veel succes bij toekomstige sollicitaties en het vinden van een leuke (nieuwe) baan’.

Hoge lat

De lat in de functieomschrijving van de 3voor12-vacature lag dan ook hoog. Als persoon zou ik de nieuwste muziek ‘verslinden’ in ieder genre, als collega ‘prettig’ zijn in de omgang, mijn ideeën zouden ‘origineel’ en ‘prikkelend’ zijn, bij nieuws zou ik ‘pijlsnel’ reageren en ik zou binnenkomen met ‘een bestaand netwerk’ en dat verder komen uitbreiden.

Het is logisch dat een groot medium als 3voor12 een goede journalist op een begeerde functie wil hebben zitten. Het valt te verwachten dat ze niet hopen dat één persoon al dit soort eigenschappen heeft, maar het geeft ook een goed beeld van de hoge eisen die journalistieke bedrijven stellen aan beginnende journalisten. Want moet je niet als een soort super-student en semiprofessionele muziekexpert uitstromen om nog op te vallen in de popjournalistiek? Het lijkt vaak een ratrace.

Opvallen tijdens een stage – waar je eigenlijk vooral komt om te leren, vind ik – lijkt dan de beste overgebleven optie. Dominique van der Geld, redacteur bij Lust for Life: ‘Laatst is een voormalig stagiair aangenomen die een dag in de week op de redactie zit. Vooral stagiaires komen nieuw binnen als freelancer. Daar staan we altijd wel voor open.’

Maar ook daar is de redactie nu wel bezet. ‘Ik denk dat we bij Lust for Life nu ook niets meer kunnen bieden aan iemand. Toch blijft de roulatie bestaan. Ik kon doorschuiven toen onze vorige hoofdredacteur opstapte en ook oudere redacteuren gaan op een gegeven moment met pensioen.’

‘Dat moet je niet doen’

Voor Patrick Lamberts (35) zag het arbeidsmarktperspectief er ruim tien jaar geleden evengoed slecht uit. ‘Toen zeiden docenten van de opleiding Journalistiek al: “Dat kun je beter niet doen, daar kun je je brood niet mee verdienen.” Ik dacht: ik zie wel.’ Lamberts vertelt me in zijn woonplaats Haarlem hoe hij binnenkwam bij Musicmaker, het lijfblad voor muzikanten, waar hij nu nog steeds werkt. ‘Ik wilde eigenlijk stage lopen bij Oor, maar daar was geen plek, net als bij Lust For Life. Daar wisten ze me wel te vertellen over Musicmaker, die destijds nog bij dezelfde uitgever zaten: Music Maker Media Group. Het werk daar beviel zo goed van beide kanten, dat ik ben gebleven.’

 ‘Ik heb geprobeerd mezelf onmisbaar te maken’, gaat Lamberts verder. ‘Ik deed interviews, schreef nieuwtjes en werkte ondertussen nog aan mijn master journalistiek. Ik kan me vooral herinneren dat ik heel weinig heb geslapen, haha. Dat is mijn investering geweest; ik ben er vol voor gegaan.’

Volgens Lamberts is er geen formule voor zulk succes. ‘Dat is voor iedereen anders en je moet ook een beetje geluk hebben. Maar het voornaamste is – naast gewoon goed je werk uitvoeren – dat je bereid bent om heel veel tijd te investeren. Je hebt dus een lange adem nodig.’ Zelf heeft hij veel gehad aan zijn brede interesse, ook voor bepaalde, soms obscure genres en niches. ‘Ik schrijf bij Aardschok voornamelijk over progressieve metal of metalcore, niet iedereen staat daar om te springen. Bij Musicmaker is het juist weer goed om breed georiënteerd te zijn. Daarbij is inlevingsvermogen en algemene interesse ook heel belangrijk. En je moet altijd goed weten wie je doelgroep is en wat die wil.’

Dominique van der Geld had veel aan zijn kennis van classic rock. Met specialisme, creativiteit, lef en een eigen – foutloze – schrijfstijl heb je volgens de redacteur ‘een streepje voor’. ‘Ik was al jaren voordat ik bij Lust for Life begon bezig met ‘oude helden’. Als het bijvoorbeeld over een bepaalde periode van Neil Young ging, wist ik precies wie ik voor mijn stuk moest spreken.’

Gek genoeg kan Van der Geld zich juist onderscheiden met uitgebreide kennis van een genre waarvan je al een claim zou verwachten van alle oudgedienden, maar juist eigentijdse genres krijgen al genoeg aandacht, volgens de redacteur. ‘Stagiairs weten vaak veel van indie. Een overschot van mensen is daarin gespecialiseerd. Dat maakt het heel lastig om je daarmee nog te onderscheiden.’ Lust for Life zou best een blues-expert kunnen gebruiken, volgens Van der Geld.

Ze geven me zo toch hoop. Ik heb altijd maar aangenomen dat ik met mijn eigen interesse in en kennis van classic rock de zoveelste vis in de vijver zou zijn, maar ik zou me met die kennis toch gewoon kunnen onderscheiden, in potentie zelfs bij een classic-rock-tijdschrift.

Markt

Maar misschien moet ik me helemaal niet focussen op bestaande muziekmedia. ‘Veel mensen die goed kunnen interviewen, hebben werk gevonden als pr-man of -vrouw. Anderen zijn te zien op Youtube of elders’, geeft Jan van der Plas als voorbeeld. ‘Als je heel veel mensen weet te bereiken, met een bepaalde muzieksmaak, in een specifiek genre, dan word je interessant voor een mediabedrijf. Dat ziet dan markt in je doelgroep en in jou een interessante werknemer, er vanuit gaande dat je blijft twitteren en instagrammen. Het draait om aandacht: daar ligt je kans.’

Een ‘nieuwe’ manier van publiceren, daar komt het op neer. ‘Zorg dat je thuis bent in een nieuw genre, wordt opinieleider en schaal eventueel op door in het Engels te publiceren’, stelt Van der Plas.

Een voorbeeld van iemand die het zelf is gaan doen is Ricardo Jupijn. De (eerder genoemde) journalist en gitarist (van indieband Anemone) startte negen jaar geleden een blog genaamd The Daily Indie, eigenlijk omdat de bestaande popjournalistiek niet bracht waar hij naar op zoek was. Nog te veel muzikaal talent bleef onder de radar en wat Jupijn betreft hadden sommige journalistieke genres hun tijd wel gehad. ‘Ik ben helemaal niet geïnteresseerd in willekeurige recensies van 150 woorden, waarin zo weinig wordt gezegd. Als muziek niet de moeite waard is, zou The Daily Indie er niet over beginnen. Veel dingen kun je als lezer zelf wel uitzoeken.  Ik wil lezen over muziek die de moeite waard is en als journalist dingen duiden.’

Illustratie door: Mathijs van Eeten

Jupijn werkte in het begin parttime aan zijn blog, dat langzaam groeide. De afgelopen jaren is The Daily Indie wel een gevestigde naam geworden, met zo’n 20.000 unieke bezoekers per maand en artikelen van ruim 50 vrijwillige redacteuren. Zelf kan hij net rondkomen van de advertentie-inkomsten en samenwerkingen met partijen in de muziekbranche, bijvoorbeeld festivals. Met zijn merknaam trekt hij goede muziekredacteuren, die hij de ruimte geeft om te schrijven over indie-artiesten die ze belangrijk vinden. Redacteuren en producenten blijven er vaak lang hangen, volgens Jupijn.

Als ik zelf een The Daily Indie zou willen, ben ik zo vijf jaar verder voor ik er genoeg mee verdien, als ik al even succesvol zou zijn als Jupijn. Zijn blog ziet er goed uit en zijn netwerk zal inmiddels prima in orde zijn.

Onafhankelijk

Het enige dat me stoort bij The Daily Indie en blogs in het algemeen, is de toon. Bij The Daily Indie is het mooi dat jong muzikaal talent het podium krijgt dat het anders niet zou krijgen, maar hoe onafhankelijk ben je bijvoorbeeld wanneer je negatieve gedachtes in een artikel bij voorbaat onvermeld laat? Natuurlijk moet je respectvol zijn naar hardwerkende artiesten, maar als de liefde voor muziek je kritische blik vertroebelt, ben je dan nog wel journalist of toch vooral blogger? Veel verhalen en interviews zijn mooi, maar ik weet niet of ik voor zulke ‘zachte’ journalistiek zou kiezen. Bij andere blogs kan het voorkomen dat de toon juist heel hard is. Misschien zou ik zelf geen van beide hoeven doen en hopen dat ik toch genoeg opval met andere kwaliteiten.

Ben ik in ieder geval niet te afhankelijk van de industrie als ik niet voor een medium werk, maar wel geld ontvang uit de industrie? Volgens Erwin Blom valt dat wel mee. ‘Op een biografieschrijver wordt ook niet neergekeken. Hij maakt dan ook geen reclamefolder en moet gewoon een goed verhaal schrijven, maar hij vermeldt ook geen dingen die de hoofdpersoon er niet in wil hebben. En laten we eerlijk zijn, dat gebeurt bij Oor en De Volkskrant natuurlijk ook niet.’ Uit eigen ervaring weet ik dat artiesten en managers niet vies zijn om te onderhandelen over de inhoud van een journalistiek stuk. Ik heb altijd zo min mogelijk willen toegeven, maar soms moet je nou eenmaal afspraken maken. ‘Dat geldt in de journalistiek vaak’, aldus Blom.

Een ander voorbeeld van Blom: ‘Als ik een artiest een jaar lang wil volgen met camera, zegt hij alleen maar ja als hij inspraak heeft in het eindproduct. Mensen geven je alleen maar vertrouwen wanneer je ze vertrouwen teruggeeft. Ook dingen die wij op tv zien zijn niet het hele verhaal.’

Leon Verdonschot maakte in 2018 de documentaire ‘Niet voor het laatst’, waarin hij Rob de Nijs lange tijd volgde rondom de productie van zijn gelijknamige album. Verdonschot vertelde op Radio 1 dat hij met De Nijs wel maar één afspraak maakte: het geluid van de concertregistraties moest goed zijn. Verder had Verdonschot volledige artistieke vrijheid. ‘Ik heb bij de documentaire die ik voor de Heideroosjes maakte inspraak gegeven vóór publicatie, maar dat doe ik nooit meer’, aldus Verdonschot in dat interview. Helaas is het radio-interview niet online terug te vinden.

Blom geeft als laatste tip: ‘Als je onafhankelijke journalistiek wil bedrijven, heb je de grootste kans geld te verdienen op plekken waar al geld verdiend wordt, anders moet je zelf iets gaan opzetten. Dan moet je echt wat unieks bedenken waar journalisten zelf geen tijd voor hebben.’

Een echte kans zie ik zelf bij een publieksgericht concept. ‘Publiek is heel belangrijk, maar ik zou eerst bij jezelf beginnen’, adviseert Blom. ‘Maak eerst een lijst met gebieden, vormen en genres die je leuk vindt. Ik ben er van overtuigd dat als de liefde ervoor bij jou ervan afspat, dat weer een voorwaarde is dat je het publiek aan je bindt. Je kunt een heel origineel idee bedenken, maar dat wordt alleen goed als je er met je volle kracht in wil gaan en er lol uithaalt. En over drie maanden nog steeds.’

Altijd ruimte

Dat kan ik zeker doen, een eigen concept, of zoals Blom als ander voorbeeld geeft: wanneer je toch op vakantie bent op een interessante plek, maak daar dan meteen producties, wanneer mogelijk. Toch stapelen onzekerheden zich op, ook bij dit soort voorbeelden. Dat wil niet zeggen dat er geen kansen zijn. Zowel Mark Moorman (chef Kunst) als Chris Buur (chef V) van de Volkskrant zeiden aan het einde van mijn stage: ‘Voor goede ideeën is altijd ruimte.’ Ik moet zelf dat initiatief nemen. Een voor de hand liggende eigenschap van een journalist, die zelfstandigheid en vindingrijkheid nodig heeft om zijn vak goed uit te oefenen. Probeer je maar eens een journalist voor te stellen die de hele dag wacht tot zijn baas hem belt, om precies te doen wat hem wordt opgedragen…

Wat ik mezelf, als beginner, afvraag is: durf ik genoeg risico te nemen om er een blanco schetsblok bij te pakken en met bijna niets als startpunt te gaan experimenteren en ondernemen? Wanneer straks mijn studie ophoudt, zal ik ook gewoon genoeg moeten blijven verdienen, in welk beroepsveld dan ook, om mezelf te kunnen onderhouden. Ik heb dan wel geen gezin of hypotheek, maar ik zit ook niet te wachten op meer schuld bovenop mijn studieschuld, of een inconsistente inkomstenstroom. Ik realiseer me dat ik eigenlijk nooit écht heb leren ondernemen tijdens mijn opleiding.

Nu liggen in de gehele journalistieke branche de banen niet voor het oprapen. Nick Kivits in Villamedia: ‘Ondanks een scherpe daling is de werkloosheid onder journalisten nog altijd hoger dan in veel andere branches.’ Niet alle cao’s zijn even voordelig: ‘Het bruto maandinkomen [ligt] laag (2020 euro) en slechts 34 procent van de studenten [journalistiek is] blij met hun startpositie. De HBO Keuzegids beoordeelt de baankansen voor jonge journalisten tot 2022 nog altijd als slecht.’ Dus ik verwacht niet even ergens in de journalistiek mijn inkomen te verdienen en verder alle tijd te hebben voor mezelf.

Ik zie het juist wel als heel belangrijk om een sterke, veilige basis te hebben, waaruit ik inderdaad nieuwe, spannende en mooie dingen kan gaan uitproberen. Als je dan risico neemt, mág je mislukken. Misschien ben ik daarin ouderwets of verwend, maar ieder mens verdient toch een goede start op de arbeidsmarkt, ook een journalist?

Erwin Blom zegt: ‘Als je geen risico’s neemt, gebeurt er ook niets onverwachts’, en de andere popjournalisten die ik heb gesproken hebben aangetoond dat er ook uitzonderingen zijn op de regel dat de markt voor popjournalisten potdicht zit. In mijn hart zal ik ook altijd popjournalist blijven, of in ieder geval toch muziekliefhebber.

Mijn interesse zal altijd uit gaan naar de wereld van de muziek, hopelijk tot in de diepste, nog bijna onbeschreven krochten. Ik wil me heel graag verder ontwikkelen als journalist, dus wanneer ik in die krochten beland en wanneer zich daar een kans aandient, zal ik de vaardigheden van een zelfverzekerde journalist kunnen hebben, plus de kennis van een oprecht geïnteresseerde specialist. Of ik dan rijk ben of net niet te arm, of wat mijn gehalte van zekerheid ook is (hopelijk ben ik gezond): dan ben ik klaar voor de markt van popjournalisten. Maar ik ga eerst op zoek naar een meer zekere basis.